Om 7 uur ratelt de wekker al weer en stappen we uit bed om de bus naar het busstation te halen. Snel pakken we in en een half uur later staan we al bij de bushalte. We wachten en wachten en zien de minuten steeds verder wegtikken. Om 8:10 gaat de bus naar Senara, waar we de boot naar Pilau Labuan willen pakken voor de eerste etappe naar Kota Kinabalu. Pas om 7:50 stopt er een busje die vervolgens tergend langzaam nog een paar wijken rond rijdt om mensen op te pikken. De chauffeur blijkt ook nog eens nieuw te zijn, want we rijden ook nog een keer fout. Om net iets na kwart over acht rijden we het busstation in en we gaan meteen op zoek naar de bus. Maar zo onregelmatig als de bussen ook rijden, natuurlijk is de bus naar Senara al keurig op tijd vertrokken. $%#$^^&^%@@!!! Nu hebben we een probleem, aangezien er die dag verder geen boten meer naar Labuan vertrekken, die de aansluiting met de boot naar Kota Kinabalu halen. We kunnen dus of in Brunei blijven - iets wat we dus echt niet willen - of we moeten op Pilau Labuan blijven - iets wat we ook niet willen.
Gelukkig duikt Danny weer op. Danny is een freelance tour-guide die rond het busstation hangt en toeristen voorziet van alle mogelijk info. Hij stond wel in de vorige editie van de Lonely Planet, maar nu helaas niet meer. Hij heeft ons de vorige dag al de tijden van de bussen en boten verteld, dus is nogal verbaasd om ons op het busstation te zien. Een andere jongen - vriendelijk zijn ze wel in Brunei - had ons net vol overtuiging verteld dat er om 1 uur nog een boot direct naar Kota Kinabalu zou gaan, die we dus als alternatief hadden willen nemen, maar Danny ontkent ten stelligste dat die boot gaat. Ook gecancelled in verband met onvoldoende passagiers. Blijkbaar is het een uitermate rustige periode, aangezien er vanuit Brunei nog maar 4 boten per dag naar Labuan gaan en vanuit Labuan in plaats van zes, nog maar twee boten per dag naar KK varen. Daar zitten we dan... vast in Brunei. Tenzij we een enorme omweg over land willen maken, maar dan halen we Kota Kinabalu weer niet.
Gelukkig blijkt Danny een wandelende reisgids, want er schijnt om 10:30 nog een boot te gaan. In dit geval naar Sundar, ergens landinwaarts in Malaisië. Het schijnt een speedboot te zijn, maar zoals hij het zo treffend uitdrukte: "we call them floating coffins". Dat belooft of niet veel goeds of een hoop avontuur. De volgende express bus die naar Senara vertrekt, gaat om 9:30, maar aangezien de chauffeur zijn horloge vandaag 10 minuten voor laat lopen, gaat hij dus gewoon om 9:20. Leuk is dat als je denkt dat je de bus nog wel kan halen maar blijkt dat die al 10 minuten eerder is vertrokken. Schijnbaar is het hier in Brunei de gewoonste zaak van de wereld om alle bekende tijden te negeren en maar te gaan rijden als je er zin in hebt. Gelukkig geeft dat ons in ieder geval tien minuten extra bij de ferry om onze formaliteiten af te handelen.
Keurig op tijd komen we aan en zoeken snel de ticket-office. Die blijkt te bestaan uit een man met een aktekoffertje. Hij haalt er twee immigratiedocumenten uit voor Maleisië en zegt doodleuk dat de boot ongeveer om 11 uur zal gaan. Weer een half uur later dan gepland. Wat een land.... maar in ieder geval hebben we de boot.
We brengen onze tijd wachtend door, maar dat zijn we ondertussen al gewend. We kijken wat rond, drinken en eten wat en doen verder eigenlijk niks. Dan komt de man met het aktekoffertje weer voorbij en vraagt 20 Brunei Dollars. Wat!!! Dat is vijf meer dan naar Labuan en het is slechts de helft van de afstand. Met een "de rest van de pasagiers betaalt het ook" blijft ons niks anders over dan hem het gevraagde bedrag te betalen. Gelukkig zitten we niet te krap in de dollars, want anders heb je dat gedonder ook nog.
Na het afhandelen van de douaneformaliteiten, oftewel stempeltje halen en twee dollar exit-tax betalen, wandelen we naar de pier. We kijken rond naar een veerbootachtig vaartuig, maar de man met het aktekofferje gebaart naar rechts. Als we naar beneden kijken, zien we een halve meter lager een minuscuul bootje liggen. We snappen meteen de uitdrukking "floating coffin". Op het dak staat allerlei vracht en voorin zit een gat om in te stappen. We gaan voorzichtig aan boord, want overboord of in het ruim vallen vinden we allebei geen optie. Als we eindelijk binnen zitten, moet één van ons nog naar de andere kant voor de balans. Verder heeft het bootje maar 4 andere pasagiers en nog meer vracht binnenin. Het bootje is echter met twee enorme buitenboord motoren uitgerust, wat in ieder geval een flink snelle vaart moet opleveren. Als de man met het aktekoffertje ook aan boord stapt, blijkt hij ook de schipper te zijn.
We scheren even later over het water van de Zuid-Chinese Zee en draaien een kwartier later een rivier op. Het water is spiegelglad en het is een bijzonder mooi tochtje over de verder lege rivier. Af en toe staan er wat huisjes aan de waterkant en een visser werpt zijn netten uit. Meer leven is er niet. Dan leggen we aan in Sundar en slepen alle bagage weer van boord. Nu blijkt de aanlegsteiger een halve meter lager te zijn dan de boot en moeten we springen om van boord te komen.
Het blijkt dat we al in Maleisië zijn, maar we hebben nog geen enkele immigratie-ambtenaar gezien of een kantoortje dat er op moet lijken. Normaal is het onmogelijk om die te ontlopen, maar hier staat verder helemaal niks. Die schijnt echter een stukje verderop te zijn. We hijsen ons met onze bagage in een minuscuul busje. Eigenlijk met plaats voor 6, maar we passen er blijkbaar ook makkelijk met ons achten plus bagage in. Mijn enorme rugzak staat tussen mijn benen, anders past het niet. 200 meter verder hijsen we ons er weer uit en met acrobatische toeren klim ik ook naar buiten. Ja hoor, het immigratiekantoor. Trappetje op, man achter raam paspoort geven, formuliertje controle en paspoort scannen en met een "waar gaan jullie naartoe? - naar Kota Kinabalu" krijgen we ons volgende entry-stempel. Dat is nummer 7, waarvan 4 van Maleisië.
Nog snel een fotootje maken en we slangemensen ons weer in het busje. Na een ritje van een half uur, zullen we in Lawas aankomen, waar we ruim op tijd zullen zijn voor de bus naar Kota Kinabalu. Op de achterbank zitten vier jonge knullen gepropt, naast ons zit een jongeman die in Brunei als webdesigner werkt en voorin zit nog een Canadese toerist, die ook onderweg is naar KK, om daar het vliegtuig naar Bangkok te pakken.
We hebben het een beetje over Brunei en hebben allemaal een beetje dezelfde ideëen over het land. De rijkdom is totaal onredelijk verdeeld. Waar een land als Singapore zijn enorme rijkdom aan hard werken en kennis en techniek te danken heeft, Brunei hoeft alleen maar zijn hand op te houden en oliedollars te incasseren. Het geld stroomt helaas maar 1 kant op, die van de sultan en zijn familie, die nota bene van oorsprong Arabisch zijn en niet eens van Borneo komen. De rest van het land heeft er in verhouding te weinig profijt van. Ok, er is gratis onderwijs en medische zorg, maar gezien de staat van het land, zou er wel eens wat meer geld terug mogen vloeien naar de bevolking. Het openbaar vervoer is er in verhouding duur en rijdt zeer onregelmatig en maar tot 6 uur 's avonds (als je geluk hebt), het onderhoud aan wegen en gebouwen laat te wensen over en de economie ligt op zijn gat, want meer dan olie-export heeft het land niet en de werkloosheid stijgt gaandeweg. Alle rooskleurige verhalen ten spijt die in de reisgidsen staan, is Brunei niet wat je ervan verwacht.
Lawas blijkt weer een verademing te zijn. Het is een levendig stadje, drukte op straat, terrasjes en het busstation midden in het centrum. We wisselen onze resterende Brunei Dollars om voor Maleis geld en gaan eerst een buskaartje regelen. We hebben anderhalf uur de tijd, dus duiken een terras op voor een kop koffie. De Canadees is een ervaren reiziger en we wisselen annekdotes en ervaringen uit. Veel herkenning en toch ook weer wat leuke tips.
Strak om half twee zitten we klaar voor de bus, maar al wat er komt, geen bus. Navraag leert: hij komt zo, maar dat hebben we vaker gehoord. Behalve de aankomst van de bus, gebeurt er schijnbaar weinig in dit stadje, dus een lichte botsing tussen een brommertje en een auto laat het twee man sterke politieburo in één keer leeglopen.
Om half drie zitten we dan uiteindelijk in de bus, een uur later mogen we er bij de grens van Sabah al weer uit. Ja ja, lang leve de semi-autonomie. Gelukkig geen idiote acties van bagage uitpakken, maar we staan gewoon tussen de auto's bij de loketten om onze 2 stempeltjes te halen. Pam heeft zelfs de tijd om rustig naar het toilet te gaan. De expresbus heeft ook een andere dimentie dan op het vaste land van Maleisië, want onderweg stappen op willekeurige plaatsen er steeds meer mensen uit. Dat heeft wel als voordeel dat wij steeds meer ruimte krijgen en we 2 stoelen in beslag kunnen nemen. Uiteindelijk komen we om zes uur in Kota Kinabalu aan, tijd om een hostel te zoeken. We worden niet eens door allerlei mensen besprongen, die ons wat willen verkopen of aansmeren, wat ook wel weer wennen is.
We gaan richting Backpackers Lodge "Lucy's Homestay", op nog geen tien minuten lopen van het busstation. In de Lonely Planet staat dat dit hostel tenminste een tweepersoonkamer heeft, in plaats van alleen maar slaapzalen. Gelukkig is er nog één vrij, die we dan ook maar nemen. De kamer doet ons een beetje denken aan de 'kast" in Singapore, maar is toch wat ruimer en ziet er keurig schoon uit. En het is toch maar voor één nachtje bedenken we ons.
De vangst van de dagWe lopen in het donker KK eens in, want we moeten zo langzamerhand ook weer eens wat eten. We lopen naar de waterkant, waar we vast wel wat te eten kunnen vinden. Op de straat langs het water - de naam boulevard is wat te hoog gegrepen - is een drukte van belang en rijdt een lange file auto's. Maleisiërs hebben het "cruisen" ook ontdekt. We komen langs een enorme avondmarkt, waar het een drukte van belang is. Rookwolken komen onder de talloze parasols vandaan en de geur van allerlei eten dringt onze neuzen binnen. We hadden eigenlijk onze zinnen op wontonsoep gezet, maar met al dat verschillende eten hebben we geen zin om verder te zoeken.
Bij een kraampje kopen we martabak, een soort gevulde pannenkoek voor 1,5 ringgit. Iets verder scoren we 2 soorten kipsateh, totaal 6 stokjes voor 5 ringgit. Bij een ander standje bestellen we Soto Ayam en Beehun Bandung en laten ons aan een tafel tussen de lokale bevolking zakken. Geen toerist te bekennen, waar we ook kijken. Helemaal goed!!
De pannenkoek is heerlijk, de sateh zit vol knoerzels (niet echt onze smaak) en soto en beehun zijn heerlijk! Pam besluit dat ze nog zo'n pannenkoek wil en komt even later terug, met pannenkoek en gebakken banaan. Kregen we er weer zomaar bij. De mensen zijn hier echt zo aardig en gul, we kunnen er in Nederland nog wat van leren. Na het eten struinen we nog even over de kippen-, vis- en groentemarkt en om 9 uur is het nog een drukte van belang. We sluiten af met een biertje en een rood wijntje op een terras aan het water na al met al een geslaagde reisdag.
De vissersvloot in Kota Kinabalu Vandaag slapen we een beetje uit, maar niet al te laat zitten we al aan het ontbijt, omdat al redelijk vroeg de andere gasten al door de gang hobbelen. Het is hier niet echt geluidproof. Maar dat geeft niet, we hebben wel goed geslapen en dat telt tenslotte. Na het ontbijt gaan we op zoek naar de lokale Maleise VVV om te informeren of de Rafflesia hier wel bloeit, want anders heeft een trip naar het park geen enkele zin. En we willen weten wat de bustijden zijn voor Sandakan. We wandelen over de drukke zondagsmarkt, waar van alles verkocht wordt. Spijkerbroeken, schoenen, jonge konijntjes, vogelkooien, you name it. Niet veel verder is het toeristenburo en we doen zoals altijd een graai in het folderrek. Ook hier blijkt de Rafflesia niet te bloeien, dus die trip kunnen we ons besparen. Het heeft dus verder geen zin om hier te blijven en besluiten vandaag nog naar Sandakan te vertrekken. Wel jammer hoor, want we hopen er nog wel één in bloei te zien.
In tegenstelling tot wat er in de Lonely Planet staat, vertrekken de bussen naar Sandakan niet vanuit Kota Kinabalu zelf, maar vanuit Inaman. Hiervoor moeten we eerst een minuut of twintig met de minibus, maar dat is goed te doen, want die vertrekken vlak om de hoek. Aangezien we tijd hebben, wandelen we eerst nog maar eens een keer richting het water voor een lekkere kop koffie in de zon en de koele zeewind. Gisteravond was ons al opgevallen dat Kota Kinabalu een best leuk plaatsje is, waar je wel een dagje rond kan struinen. Het ziet er ook allemaal goed onderhouden uit, waar bijvoorbeeld Miri - de plaats die zich nota bene Resort City noemt - nog een voorbeeld aan kan nemen. En aangezien we eigenlijk nu een dagje over hebben, doen we lekker een dagje niks. Ja, lekker op de boulevard achter een biertje een beetje lezen, straks even het internet op, een beetje shoppen, etc. We vermaken ons wel.
We gaan even naar het hostel om wat boeken te halen en als we naar buiten lopen, komen we een oude bekende tegen. Een Zwitserse vrouw die we in Mulu al tegengekomen waren. Een heel leuk mens, die al tien jaar af en aan in haar ééntje de wereld rondreist. Ze is net als ons, hier gisteren aangekomen. Maar wel vanuit Sepilok, het Oerang Oetang reservaat dat wij bij Sandakan willen bezoeken. Van haar horen we dat het park een week eerder is getroffen door een storm en dat je het voeren van de dieren niet kan zien. We kunnen alleen de "nursery" in en daar naar 4 jonge apen kijken. Maar dan kunnen we net zo goed naar de Apenheul, want daar kan je dat tenslotte ook zien. Het gaat ons om de dieren die half in het wild leven en klaar worden gemaakt om weer uitgezet te worden in het wild.
Uitzicht op zeeDat is een tegenvaller in onze plannen. We hebben ze al gemist in Semenggoh en nu dan ook in Sepilok. Het zit niet mee, maar gelukkig stonden we niet in het park en kwamen er dan pas achter, zoals zij. We hebben nog een dagje om te beslissen wat we gaan doen, maar zoals het er nu uitziet, zullen we Sandakan helemaal links gaan laten liggen en direct naar Semporna gaan, om daar een paar dagen te duiken.
De rest van de dag doen we niet veel. Lezen wat, biertje op het terras, schuilen voor de plotseling opkomende regen (het slaat hier nog sneller om dan in Nederland), wandelen door een enorm warenhuis waar het krieoelt van de mensen, slenteren over de markt en surfen wat op het internet voor vluchten, reis- en duikinformatie en checken onze mail. Na een diner bij de Pizzahut (ja af en toe ook erg lekker) is er al weer een dag voorbij en gaan we ons klaarmaken voor de vlucht naar Tawau van morgen. We kunnen uren in een bus gaan zitten, maar zo zijn we er in één dag - wat zeg ik, één UUR - in plaats van twee dagen in te kleine bussen te zitten en nog ergens te moeten overnachten. En zo is het ondertussen 12 uur als ik dit deel van ons reisverslag weer klaar heb.
Lees ook deel 14 van dit verslag »